Een agenda voor de toekomst


Kan de publieke ruimte bijdragen aan de redzaamheid van ouderen? Deze vraag heeft de Raad in twee stappen beantwoord. Allereerst door na te gaan of de publieke ruimte er dan toe doet. Het antwoord daarop is ja. De inrichting van de publieke ruimte is een bepalende factor in de redzaamheid van ouderen.

Voor het zelfstandig kunnen blijven wonen van ouderen is het van groot belang dat zij voldoende mobiel zijn, voorzieningen in de buurt hebben en sociale contacten kunnen onderhouden. De publieke ruimte kan dit ondersteunen en is daarmee een toevoeging aan het assortiment van algemene voorzieningen waarmee de gemeente de redzaamheid van haar inwoners bevordert. Overigens moeten ontwerpen van de publieke ruimte niet specifiek gericht zijn op ouderen. Iedereen wil graag vertoeven in een aangename omgeving.

De tweede stap in het beantwoorden van de kernvraag was hoe ouderen in de toekomst gebruik kunnen blijven maken van de publieke ruimte en deze ook mede vormgeven. De Raad constateert dat onder meer vergrijzing en gestegen levensverwachting zorgen voor een andere dynamiek in de ruimte. Publieke, private en privéruimte gaan meer in elkaar overlopen. Tussenruimten, die elementen van privé, privaat en publiek in zich dragen (denk bijvoorbeeld aan privé aanvoelende ontmoetingsruimte in de publieke ruimte of publieke interieurs), bieden de mogelijkheid om de redzaamheid van ouderen te bevorderen. Ze dragen bij aan ontmoeting tussen mensen en hun gevoel van veiligheid. De publieke ruimte behoort in aanleg veelal tot het domein van de gemeente, maar in het licht van de decentralisaties ligt het voor de hand dat burgers, en dus ook ouderen, meer gelegenheid krijgen om verantwoordelijkheid en initiatief te nemen in hun eigen leefomgeving. Daarvoor is het nodig de regels aan te passen. Het gaat dan om regelgeving aangaande eigenaarschap en beheer (meer gedeeld eigenaarschap en zelfbeheer) en rond financiering (cofinanciering en buurtrechten) en om nieuwe afspraken tussen publieke en private partijen. Nieuwe verhoudingen in de samenleving vragen om vormen van experimentele governance en een andere organisatiecultuur van gemeenten, en om meer experimenten en reflectie in samenspraak met andere actoren.

 

Op basis van de uitkomsten van deze verkenning en gesprekken met experts willen wij bij gemeenten en andere betrokken partijen een aantal zaken agenderen waar zij bij het maken van beleid, rekening mee zouden moeten houden.

Gemeenten ga – in samenspraak met publieke en private partijen – verkennen hoe de inrichting van de publieke ruimte ook in dienst kan worden gesteld van de redzaamheid van ouderen. Onderzoek hoe de ruimte een rol kan spelen bij preventie en ondersteuning bij ziekte en verlies aan redzaamheid. Een aangename en afwisselende fysieke ruimte kan ouderen uitnodigen tot bewegen en actief blijven, en zo ook bijdragen aan de cognitieve reserve van ouderen. Gemeenten denken nu al na – maar zullen dat veel meer moeten gaan doen – over de effecten van de vergrijzing, want de inrichting van de publieke ruimte gaat met stenen en beton gepaard. Dat betekent dat het lang duurt voordat er iets staat, en als het er eenmaal staat, is het lastig te veranderen. Gemeenten moeten bij afwegingen omtrent ruimtelijke ordening de gezondheid en redzaamheid van de bevolking expliciet meenemen. Uit de verkenning blijkt dat het loont om de werelden van de ruimtelijke inrichting en infrastructuur en die van de gezondheid (meer) met elkaar te verbinden: ook binnen gemeenten zelf. Dit vraagt samenspel tussen de wethouder ruimtelijke ordening en de wethouder volksgezondheid.

Voor ouderen is een aangename leefomgeving, veel meer dan voor jonge mensen, van belang om naar buiten te gaan en de publieke ruimte te betreden. Looproutes kunnen aantrekkelijk en veilig worden gemaakt door duidelijke bewegwijzering en enge bosjes, blinde muren, tochtige hoeken en rommelige bestrating aan te pakken. De publieke ruimte kunnen we zien als functioneel knooppunt, maar tegelijkertijd moet het een aangename verblijfplaats zijn. Mensen moeten naar buiten willen komen. Ook inspiratie in de ruimte is daarbij belangrijk, zoals het delen van verhalen op een bankje of het bekijken van kunst. Met het verdwijnen van verzorgingshuizen, verdwijnen vaak ook voorzieningen voor ouderen in de buurt. Het verlies van oude ontmoetingsplaatsen biedt tegelijkertijd ruimte voor de opkomst van nieuwe ontmoetingsplaatsen. Het is belangrijk dat alternatieven, zoals de koffiehoek bij de supermarkt, een dergelijke functie gaan overnemen. Hoe ouderen elkaar en andere generaties kunnen ontmoeten en hoe eenzaamheid kan worden tegengegaan zijn vraagstukken die expliciet op de agenda moeten komen. Daarbij is het essentieel aan te sluiten bij de wensen van ouderen zelf.

De publieke ruimte ligt er niet altijd even florissant bij. De economische crisis van de afgelopen jaren heeft de publieke ruimte ook geen goed gedaan. Een nieuw fenomeen is de ‘ontwinkeling’: winkels die uit buurt- en winkelcentra verdwijnen en een onaangename leegte achterlaten. Lege ‘plinten’, zoals de benedenverdiepingen van gebouwen ook wel genoemd worden, dragen bij aan gevoelens van onveiligheid en aan de verloedering van buurten. Het is dus van groot belang om nieuwe bestemmingen voor lege panden te vinden. Samen met aangename (brede) trottoirs of pleinen kunnen winkels en horeca beschutting, comfort en gelegenheid tot ontmoeting bieden. Het zijn de gebieden die zowel publiek als privaat zijn en het risico lopen ‘van niemand’ te zijn. Kenmerk van deze ‘tussenruimten’ is dat zij zowel een bron van creativiteit als van verloedering kunnen zijn.

Om met deze agendapunten aan de slag te gaan zijn de volgende twee randvoorwaarden van belang.

Fysieke investeringen vragen om nieuwe beheerarrangementen: wie gaat de publieke ruimte onderhouden? Tot nu toe is de gemeente de eerstverantwoordelijke partij, maar ook hier winnen nieuwe vormen van co-beheer aan belang, waarbij gemeenten samenwerken met maatschappelijke dienstverleners en individuele burgers. Daarnaast kunnen gemeenten veelbelovende initiatieven en experimenten op het gebied van de publieke ruimte voor de redzaamheid van ouderen stimuleren en ondersteunen. Kamphuis et al. (2015) adviseren om initiatieven op dit gebied, gericht op veelbelovende determinanten, te evalueren. De maatschappelijke baten kunnen aanzienlijk zijn, maar dan moeten ze wel in kaart worden gebracht. Het is aan te bevelen daarbij ook onderzoeksmethoden uit het sociale domein te betrekken en uit te gaan van verschillende ‘gradaties van bewijs’ of ‘passend bewijs’ (Pawson en Tilley, 1997; Doorten en Rouw, 2006; CEG, 2007), bijvoorbeeld kwalitatieve casestudies die laten zien hoe een initiatief heeft gewerkt. Deze kunnen inspiratiebron zijn voor andere plekken of gemeenten. Maak van de onderzochte en bestaande initiatieven eventueel een digitale bibliotheek ‘Ruimte en redzaamheid’ of een digitaal knooppunt waar verschillende al bestaande websites op dit thema met elkaar worden verbonden.

Ontwerpers, architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwers buigen zich al eeuwen over leefbaarheidsvraagstukken. Dat doen ze in opdracht van de overheid en van ondernemers. Winkels, winkelcentra en horeca hebben een groot belang bij een aangenaam verblijfsklimaat en goede toegankelijkheid en nemen steeds vaker een maatschappelijke verantwoordelijkheid door ook toegang te bieden aan ouderen zonder directe bestedingsintentie. Een deel van de oplossing ligt dus in het koppelen van de publieke en private belangen. Hier speelt de vraag hoe een concurrerende stad vanuit economisch perspectief gecombineerd kan worden met de noodzakelijke grotere leefbaarheid in de openbare ruimte. De oplossing ligt in het gegeven dat ouderen steeds meer ook een economische factor worden, misschien voor steden en bedrijven juist een aantrekkelijke groep. Het gaat er dan om dat gemeenten en private partners elkaar in een dergelijke ontwikkeling weten te vinden.