Vervagende grenzen en nieuwe tussenruimten


Met de ouder wordende bevolking en gestegen levensverwachting verandert de dynamiek in de publieke ruimte. Nu gaat het over de zogenoemde psychologische ruimte, namelijk over hoe ouderen gebruik (kunnen) maken van de ruimte. We zoomen daarbij in op de begrenzingen tussen waar de publieke ruimte eindigt en het privédomein begint en beschrijven hoe deze grenzen vervagen. We besteden daarbij aandacht aan het ontstaan van nieuwe zogeheten tussenruimten.

We onderscheiden publieke ruimte, private ruimte en privéruimte. Daarnaast zijn er ook mengvormen waarbij de grenzen niet scherp zijn, zoals de publiek-private ruimte5.  Hierna lichten we de verschillende soorten ruimte kort toe.

De publieke ruimte bestaat uit onderdelen van de gebouwde en natuurlijke omgeving die vrij toegankelijk zijn voor het publiek (Carmona et al., 2008). Dit kunnen zijn: pleinen, parken, stoepen, openbare (overheids)gebouwen en vrij toegankelijke binnentuinen.

De partijen die zeggenschap hebben over deze ruimten zijn publieke partijen zoals gemeenten en private partijen zoals woningstichtingen, bedrijven en burgers die eigenaar zijn van ruimte die vrij toegankelijk is voor publiek. Bij de laatste gaat het eigenlijk om een mengvorm: een ruimte die vrij toegankelijk is voor het publiek, maar waarvan een private partij eigenaar is. De verantwoordelijke partijen kunnen ook een mix zijn van private en publieke partijen.

De private ruimte bestaat uit onderdelen van de gebouwde en de natuurlijke omgeving die niet vrij toegankelijk zijn voor het publiek. Voorbeelden zijn een bedrijfsterrein of een militair oefenterrein. Verantwoordelijke partijen zijn onder meer bedrijven, maar ook de overheid.

De privéruimte of -sfeer is een (denkbeeldig) gebied waarin de privézaken thuishoren en waar een mens er zeker van is dat zo weinig mogelijk mensen zich er zonder zijn toestemming zullen begeven, ofwel waar hij zich kan afzonderen en storende invloeden van de buitenwereld kan ontgaan (zie ook privacy).

Een voorbeeld is het huis of de wooneenheid van mensen (gehuurd of gekocht). In aanleg zijn bewoners hier zelf verantwoordelijk, maar ook andere partijen kunnen hier in specifieke situaties een rol hebben. Denk aan een woningstichting of de wijkverpleging.

 

Ruimte bestaat niet onafhankelijk van de mens, maar wordt geproduceerd (Lefebvre, 1991). Grenzen tussen publieke, private en privéruimte zijn niet ‘in beton gegoten’, maar worden telkens opnieuw uitonderhandeld en gereproduceerd door wetten en regels (rondom bijvoorbeeld eigenaarschap) en door gedrag en gewoonten van mensen (bijvoorbeeld wel of niet gebruikmaken van ruimte).

De Raad constateert dat er sprake is van vervagende grenzen tussen de verschillende soorten ruimte. Aan de ene kant wordt de privéruimte publieker door verplaatsing van steeds meer zorg en ondersteuning naar de thuissituatie van burgers. Deze verplaatsing van zorg heeft verschillende oorzaken:

  • de afname van verzorgings- en verpleeghuizen (ouderen willen langer thuis wonen met behulp van het eigen netwerk en professionele zorg);
  • het toenemend gebruik van e-health, telemedicine en self-management waardoor zorg die eerder in ziekenhuizen werd gegeven nu in de thuissituatie plaatsvindt;
  • de opkomst van de ‘achter-de-voordeur’-aanpak bij gemeenten en woningstichtingen, zoals de ‘keukentafelgesprekken’ bij burgers thuis;
  • de woonkamer die buurthuis wordt (bijvoorbeeld in de Schilderswijk).

“What remains of the home as the private area par excellence when it takes on at least some characteristics of the hospital, an almost public space?” (Willems, 2008: 63).

Aan de andere kant wordt de publieke ruimte privater en meer privé. Dit heeft meerdere oorzaken:

  • de verdergaande commercialisering van publieke ruimte die maakt dat niet iedereen zich daar meer thuisvoelt (Low en Smith, 2006);
  • zorginstellingen en ziekenhuizen die een ‘thuisgevoel’ creëren door kleinschaligheid, gezellig ingerichte woonkamers enzovoort (Gilmore, 2006); 
  • de wellicht groeiende behoefte aan privacy in de publieke ruimte, zoals de gelegenheid voor sanitaire stops voor ouderen die het stadscentrum willen bezoeken.

De geschetste ontwikkelingen roepen vragen op over hoe we in de fysieke ruimte omgaan met mengvormen tussen de verschillende soorten ruimte. Hoe flexibel is de fysieke ruimte eigenlijk? De fysieke inrichting van de publieke ruimte is – zoals we ook al in het vorige hoofdstuk constateerden – vaak een kwestie van een lange adem en een langetermijnvisie. De (her)inrichting van een inloopcentrum, plein of collectieve zorgboerderij vereist bouwplannen, akkoorden, stenen en soms jarenlange herstructurering. Tegelijkertijd zijn de wensen en persoonlijke situaties van burgers veranderlijk: een sociaal netwerk kan wegvallen of men kan ziek worden. Hierdoor zijn fysieke veranderingen in de ruimte op de korte termijn juist wenselijk. Bij de ruimtelijke inrichting bestaat er dus een spanning tussen kortetermijndenken en langetermijndenken, tussen flexibele maakbaarheid en onwrikbare gebouwen (Hommels, 2008).

Omgaan met deze spanning vereist een flexibele aanpak van ruimte. Hierbij moeten wij ons realiseren dat de (psychologische) ruimte geen ‘vaste’ entiteit is. Ruimtelijke ordening is niet slechts een technische kwestie van goede bouwplannen en criteria, zoals vaak wordt voorgesteld. Het is een (continue) afweging tussen visies voor de korte en de lange termijn op allerlei waarden zoals toegankelijkheid van zorg- en welzijnsvoorzieningen, kwaliteit van leven, betaalbaarheid van zorg, wonen enzovoorts.

De fysieke inrichting van de publieke ruimte kent een langere tijdshorizon dan veel ander beleid. We moeten nu al keuzes maken voor de langere termijn. Hoe willen we dat onze omgeving er over twintig jaar of daarna uitziet? Welke belangen spelen er in de ruimte, en wat kunnen gemeenten regelen en wat niet? Er lijkt een noodzaak te zijn om het concept fysieke ruimte flexibeler te benaderen dan tot nu toe het geval is.

Met het oog op veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de redzaamheid van ouderen lijkt het erop dat de privéruimte publieker wordt en de publieke ruimte meer mogelijkheden biedt voor privacy en dat er meer zogeheten tussenruimten ontstaan waarin deze sferen in elkaar overlopen, zoals drempelzones.

In het voorgaande signaleerde de Raad dat wat onder publieke, private en privéruimte moet worden verstaan niet rigide is, maar aan constante verandering onderhevig.

Vanuit de wereld van de architectuur komt de gedachte dat ruimten tussen privéruimte en publieke ruimte ontmoetingen tussen mensen en hun gevoel van veiligheid bevorderen.

Dit is wat de architect Herman Herzberger ‘drempelzones’ noemt. Wanneer de scheidslijn tussen de publieke en de privéruimte van mensen te abrupt is, ontstaat daar spanning (Herzberger spreekt van de ‘territoriale spanningsreeks’). Mensen voelen zich dan eerder onveilig en worden niet uitgenodigd om met elkaar in contact te treden. Veiligheid en sociaal contact maken in de nabijheid van de woning is voor de kwaliteit van leven van ouderen van groot belang. Is de ruimte wat breder, dan voelt dat voor mensen veel prettiger aan, en men voelt zich thuis veiliger. Privéruimte en openbare ruimte mengen zich, er ontstaan plekken om elkaar te ontmoeten en om gezamenlijk iets te doen. In oude steden maken dergelijke plekken het stedelijk weefsel. Architecten spreken over de stad als huiskamer: het gaat dan om de schaal en de aangenaamheid van plekken.

Willen mensen zich thuis voelen in een stad, dan moeten ze de stad als het ware ‘veroveren’ (De Boer, 2012). Daarvoor zijn ankerpunten nodig, plekken waarmee ze zich identificeren, routes vanuit die plekken om de stad verder te exploreren, netwerken die deze plekken verbinden.

Veel ontmoetingsplaatsen in de stad zijn geen straten of pleinen, maar plekken die als interieur te beschouwen zijn. Publieke interieurs zoals stadhuizen, stations en bibliotheken zijn van die ankerpunten. Maar ook intermediaire zones – plekken die informeel gebruik toelaten – die bemiddelen tussen de publieke ruimte (buiten) en de private of privéruimte (veelal binnen), dus tussen de niet-publiek-toegankelijke delen van een gebouw aan de ene kant en de ‘echte’ openbare ruimte aan de andere kant6. We kunnen ons voorstellen dat naarmate mensen ouder worden, ankerpunten (evenals bewegwijzering) er nog meer toe doen dan wanneer mensen jonger en mobieler zijn. Intermediaire zones bieden ruimte voor rustpunten en beschutting. Het informele gebruik van de publieke ruimte komt vaak niet aan bod in een bestemmingsplan, maar het is wel een belangrijke waarde voor de stad en een wezenlijke eigenschap van bepaalde ruimten in de stad. Ook voor het bouwen van solids, gebouwen met een zodanige flexibiliteit dat de functionele invulling na de oplevering nog kan worden bepaald en op termijn kan worden veranderd, is het huidige bestemmingsplan geen adequaat toetsingsinstrument, aldus De Boer (2012). 

Publieke interieurs stimuleren ontmoeting.

Whyte (1980) noemt als voorbeelden het verbreden van straathoeken door het inleveren van een enkele parkeerplaats, het fysiek toegankelijk maken van de straat (bredere trottoirs, wegnemen van drempels, lage traptreden), het visueel aantrekkelijker maken van de straat of plein (schoon, goed verlicht, verzorgde vitrines en entrees van winkels, iets interessants om naar te kijken en over te praten) en het plaatsen van straatmeubilair waar je op kunt zitten (banken, plantenbakken met brede randen, kunstobjecten).

Verschillende partijen kunnen (publieke) ruimten een andere bestemming geven waardoor de omgeving anders kan worden beleefd. Gevoelens van onbehagen en onveiligheid als gevolg van leegstand bijvoorbeeld kunnen ermee worden teruggedrongen. Voorbeelden zijn de solids op IJburg, de omvorming van de oude scheepswerven in Amsterdam-Noord tot creatieve broedplaatsen en de popup stores in als onveilig ervaren donkere leegstaande winkelplinten van gebouwen en winkelcentra. Dat het gebruik van gebouwen mee verandert met de tijd, met ontwikkelingen in de samenleving, zien we ook aan de zeventiende-eeuwse panden in oude binnensteden: de aanpassing van pakhuizen naar kantoren naar woonhuizen naar woon- of werkplekken. Het is dan wel van belang dat gebouwen voor meerdere functies geschikt te maken zijn.

Illustratief voor het idee van veranderbare ruimten is het voorbeeld van Schieblock in Rotterdam.

Schieblock

De projectgroep heeft op 21 oktober 2014 een bezoek gebracht aan ontwerpbureau ZUS (Zones Urbaines Sensitives). ZUS combineert de disciplines landschap, stedenbouw en architectuur. Focus van ZUS is het stadslandschap (Glocal District), waarin de publieke ruimte een prominente plaats heeft (Sufficient Publicness). Uitgangspunt is ‘permanente tijdelijkheid’. Dat is de les van de oplopende leegstand van kantoorgebouwen, onder andere in het gebied rond het Rotterdamse Centraal Station. De cyclus van bouwen, slopen en opnieuw bouwen kan in die visie bijvoorbeeld worden vervangen door een organisch proces met behoud van de goede elementen in het bestaande. Een doorbraak voor ZUS was het winnen in 2012 van de prijs voor het Rotterdamse Stadsinitiatief (€ 4 miljoen), waarmee de publieke zone rond het Schieblock-gebouw kon worden ingericht. Schieblock is een kantoorpand aan de rand van het centrum van Rotterdam dat na een periode van leegstand en gebrekkig beheer in 2009 in gebruik is genomen door bedrijven in de creatieve sector, tegen een zakelijke huurprijs. Het beleid van de Schieblock-partners (ZUS en twee projectontwikkelaars) is gericht op een goede interactie tussen binnen- en (publieke) buitenruimte. Zo is veel aandacht besteed aan de plint die het verbindende element tussen beide vormt. Met het budget voor het stadsinitiatief zijn onder andere de aanleg van een daktuin op het pand, een luchtsingel erdoorheen en een plantsoen naast het gebouw gerealiseerd. Het gesprek levert vooral materiaal op voor de vraag waar en in welke mate de publieke ruimte onwrikbaar dan wel vormbaar kan of moet zijn. De noodzaak van vormbaarheid neemt toe, omdat de technologie (ICT) ons daartoe dwingt: inflexibel gebouwde objecten zoals kantoorgebouwen verliezen de functie waarvoor ze gebouwd zijn en komen leeg te staan. Dit levert risico’s op voor de leefbaarheid van de publieke ruimte, zoals slecht beheer en minder toezicht of sociale controle. Schieblock is een voorbeeld van de manier waarop flexibiliteit en tijdelijkheid de leefbaarheid kunnen redden.

 

 Je voelt je razendsnel vertrouwd / met oude steden, fraai gebouwd / om torens heen: / al kende je daar heg noch steg, / na een klein uur vind je de weg / heel goed alleen. / Maar neem een wijk uit onze tijd: / je raakt er vaak de weg nog kwijt / na honderd keer. / Zelfs in één bouwwerk, één kantoor, / zoek je je rot, de jaren door / en telkens weer. / Ach, architecten van vandaag, / ik zoek een antwoord op de vraag / waarom u faalt: / waarom is bijna elk ontwerp / zo zonder hart en zo onscherp / dat men verdwaalt?  

Willem Wilmink

De huidige ontwikkelingen van vergrijzing en gestegen levensverwachting zorgen voor een andere dynamiek in de ruimte. Publieke ruimte, private ruimte en privé-sfeer gaan meer en meer in elkaar overlopen.

Juist in deze tussenruimten ontstaan nieuwe inrichtingsvormen die dienstbaar kunnen zijn aan het bevorderen van de redzaamheid van ouderen, bijvoorbeeld doordat deze vormen bijdragen aan ontmoeting tussen mensen en hun gevoel van veiligheid (tussenruimten, intermediaire zones, aanpassingen aan stoepen en straatmeubilair). Ook nadenken over de tijdelijke invulling van in onbruik geraakte gebouwen (continu veranderbare ruimten), of beter nog nadenken over gebouwen die voor meerdere functies geschikt te maken zijn (solids) is aan te raden in een tijd waarin ontwikkelingen in de samenleving zich in rap tempo voordoen. Bestemmingsplannen moeten daartoe anders worden ingevuld.