Doet de publieke ruimte ertoe?


Nu richten we ons op de ruimtelijke inrichting in fysiek opzicht. Hierbij staan de volgende vragen centraal. Welke maatschappelijke ontwikkelingen spelen een rol? Wat weten we over de invloed van de fysieke ruimte op redzaamheid? Wat werkt en wat niet? Wat zijn de goede voorbeelden? Waar wordt momenteel mee geëxperimenteerd? Wat kunnen we leren van het buitenland? We beginnen met een schets van de bredere maatschappelijke context.

In 2040 is het aandeel ouderen aanzienlijk gestegen ten opzichte van nu. Welke nieuwe eisen stellen zij aan de publieke ruimte. 

In de komende decennia zal de bevolkingssamenstelling aanmerkelijk veranderen. De kolommen in het diagram geven het aantal (x 1 miljoen) inwoners van Nederland van 75 jaar en ouder weer in 2015, 2040 en 2060. De vergrijzing wordt zichtbaar in een toenemend aantal mensen in de leeftijdsgroep en, binnen die groep, in een toenemend aantal mensen van 85 jaar en ouder. Relatief omvat het aandeel ouderen ruim een kwart van de bevolking. 

Tabel 1: Kerncijfers van bevolkingsprognoses (in procenten)

   Leeftijdsgroepen  
Perioden 0 tot 20 jaar 20 tot 65 jaar 65 jaar of ouder
2014 22,9 59,8 17,4
2020 22,0 58,3 19,8
2030 21,2 54,9 23,9
2040 21,4 52,1 26,5
2050 21,0 52,8 26,2
2060 20,8 52,8 26,3

   Bron: CBS Statline, 8 oktober 2014

De Raad meent dat deze ontwikkeling gevolgen heeft voor de publieke ruimte. In het straatbeeld zullen naar verhouding meer ouderen te zien zijn en zullen generaties zich anders tot elkaar gaan verhouden. In absolute aantallen neemt in de nabije toekomst in steden het aantal ouderen het sterkst toe, maar het zijn vooral de plattelandsgemeenten die het sterkst vergrijzen, doordat jongere generaties naar de stad trekken (Rli, 2014).

‘Ouderdom komt met gebreken’ zo luidt een veel gebruikte tegelwijsheid. Een eind wandelen, een tas dragen, een gesprek voeren of een krant lezen zijn voorbeelden van prestaties die met het klimmen der jaren meer moeite kunnen gaan kosten. Ouderen hebben meer kwalen die hen belemmeren in hun mobiliteit. Door de vergrijzing zullen steeds meer mensen daarmee te maken krijgen. Het diagram geeft de aantallen mensen weer die in 2015, 2040 en 2060 met specifieke kwalen zoals duizeligheid, urineverlies en gewrichtsslijtage te maken krijgen. Overigens zien we dat de helft van deze oudere ouderen ondanks beperkingen een goede gezondheid ervaart en dat de verschillen binnen de groep ouderen dus heel groot kunnen zijn. Leeftijd zegt wel veel maar lang niet alles.

Tabel 2: Ervaren gezondheid, aandoeningen en beperkingen als percentage van de betreffende leeftijdsgroep, 2013

   Leeftijdsgroepen  
  55 - 65  65 - 75  > 75  
Geen goede ervaren gezondheid  31,8  32,8  49,2
       
Chronische gewrichtsontsteking 6,7  9,8  12,1 
Duizeligheid met vallen 5,1  10,9 
Slijtage heupen en knieën  22,1  32,8  35,7 
Hartaandoening 2,6  4,2  9,3 
Incontinentie 7,4  9,3  20,4 
Rugaandoening  12,7  11,3  17,3 
Diabetes  9,4  12,8  19 
Beroerte gehad  3,8  6,5  10,3 
Kanker gehad  9,7  19,9  25,6 
Dementie/Alzheimer (2011)  0,1  0,5  3,4 
       
Gemiddeld aantal beperkingen (OESO 0,3  0,3  0,8 
Gemiddeld aantal beperkingen (ADL 0,1  0,2 

0,8 

   Bron: CBS statistiek Gezondheid aandoeningen beperkingen; persoonskenmerken d.d. 30 juni 2014.

Het diagram beschrijft de algemene gezondheidstoestand van mensen van 55 jaar en ouder. Door de vergrijzing zullen meer mensen 3 of meer langdurige aandoeningen hebben of hun gezondheid niet meer als goed waarderen. Het aantal beperkingen bij activiteiten in het dagelijks leven zal toenemen. Het is belangrijk te onderkennen dat het om een proces kan gaan van toenemende kwetsbaarheid (SCP, 2011a): een opeenstapeling van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren die de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten (functiebeperkingen, opname, vroegtijdig overlijden)1. Westendorp (2014) verdeelt het verouderingsproces in vier perioden: voorzorg, multi-morbiditeit2, kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Bij voorzorg gaat het erom ziekte te voorkomen. Wanneer ziekten zijn ontstaan (multi-morbiditeit), is het zaak om blijvende complicaties te voorkomen of uit te stellen. Bij kwetsbaarheid is het eerste doel het dagelijks functioneren te waarborgen.

Vanuit de omgevingspsychologie speelt nog een invalshoek een grote rol. De controle die mensen ervaren over hun omgeving wordt in deze discipline gezien als basale menselijke behoefte. Het proces van veroudering impliceert vaak dat de ervaren controle over de publieke ruimte verandert (Van Dorst, 2005). Mensen voelen zich bijvoorbeeld minder veilig op straat of kunnen niet meer zelfstandig voorzieningen bereiken zoals winkels, het buurthuis of het theater. Aanpassingen van de fysieke ruimte of meer mogelijkheden voor vervoer kunnen het gevoel van controle of regie eventueel herstellen en daarmee de redzaamheid van ouderen vergroten.

Wordt ouderen gevraagd naar hoe zij zich voelen, dan blijkt vaak dat zij zich ondanks het hebben van een of meerdere chronische ziekten goed voelen.

Bij het meten van kwetsbaarheid worden fysieke, mentale en sociale aspecten onderscheiden3. Kwetsbare ouderen zijn dus niet per se zieke ouderen, al kan ziekte ook kwetsbaar maken. Andersom zijn niet alle ouderen met aandoeningen en beperkingen kwetsbaar. Door kwetsbaarheid (voor)tijdig te onderkennen – bijvoorbeeld door preventie van chronische aandoeningen, het stimuleren van sociale contacten, verhuizen naar een levensloopbestendige omgeving – kunnen ouderen geholpen worden om langer hun zelfstandigheid te behouden en op een prettige(re) manier oud te worden (SCP, 2011a). Daarbij is kwetsbaarheid geen onomkeerbaar, maar een dynamisch proces. Een adequate inrichting van de leefomgeving en/of geschikte interventies in de fysieke inrichting kunnen de redzaamheid van ouderen vergroten (Cammelbeeck, 2013; Etman et al., 2012; Gobbens et al., 2010).

Kwetsbaarheid tijdig onderkennen draagt volgens het SCP (2011b) bij aan de levenskwaliteit van ouderen. Dit betekent oog hebben voor kwetsbaarheid, maar ook begrijpen dat ouderen die aandoeningen en beperkingen hebben lang niet altijd kwetsbaar zijn. Wordt ouderen gevraagd naar hoe zij zich voelen, dan blijkt vaak dat zij zich ondanks het hebben van een of meerdere chronische ziekten goed voelen. Dit wordt door onderzoekers de disability-paradox genoemd. Daaruit blijkt dat ouderen een groot vermogen hebben om zich aan te passen aan de omstandigheden (Westendorp, 2014).

Medische problemen spelen lang niet altijd een hoofdrol bij de vraag of ouderen zich goed voelen. Het welbevinden van ouderen – gemeten aan de hand van een te geven cijfer voor de kwaliteit van het leven – heeft veel te maken met de mate waarin ouderen zich succesvol voelen (Westendorp, 2014) of controle kunnen houden over hun leven (Van Dorst, 2005). Omgaan met verlies en beperkingen en die in het leven kunnen integreren draagt bij aan dat gevoel. Onafhankelijk of redzaam zijn – het zelf kunnen regelen van allerlei zaken, al dan niet met moeite of betaalde hulp van anderen – is daarbij van belang, alsook de aanwezigheid van voorzieningen in de nabije leefomgeving en het hebben van sociale contacten.

Gemeenten hebben met de Wmo de verantwoordelijkheid gekregen om mensen te ondersteunen die het zelf of met hun eigen sociale netwerk alleen niet redden.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli, 2014) signaleert voor de nabije toekomst een kwantitatief en kwalitatief verschil tussen vraag en aanbod naar verzorgd wonen. De vraag naar verzorgd wonen neemt toe van 41.000 woningen in 2013 naar 81.000 in 2021, onder andere omdat het aantal 80-plussers in de samenleving toeneemt, evenals het aantal alleenwonenden (van 900.000 nu naar 1,4 miljoen in 2030). De Rli stelt dat zelfstandig blijven wonen niet vanzelfsprekend betekent dat iemands huidige woning en leefomgeving geschikt zijn om er met beperkingen te blijven wonen. En hoewel de Rli vooral kijkt naar de wooncomponent, concludeert hij dat een vitale leefomgeving van groot belang is voor het onder eigen regie zo veel mogelijk zelfstandig wonen. We moeten waken voor het verdwijnen van voorzieningen in wijken en buurten wanneer verzorgingshuizen weggaan, want veel verzorgingshuizen hebben namelijk ook een publieke functie voor de buurt.

De veranderingen in de langdurige zorg zijn ook gebaseerd op de gedachte dat mensen meer voor elkaar gaan doen. Buren komen in beeld bij hand- en spandiensten, en vrijwilligers doen vooral aan welzijn (gezelschap bieden en begeleiding en emotionele steun geven) en minder aan zorg (SCP, 2014b). Buren moeten elkaar wel kennen, en aardig vinden, voordat ze hulp gaan geven. Voor het vinden van nieuwe vrijwilligers zou men vooral mensen persoonlijk moeten vragen of ervoor zorgen dat ze in een hulpvraag iets herkennen wat hen raakt. Buren en vrijwilligers maken het steunnetwerk van ouderen en hun familie groter, waardoor het risico op overbelasting van mantelzorgers kan worden verkleind. Ontmoeting met anderen buiten de familie om, ook intergenerationeel, is daarom van belang voor een vitaal steunnetwerk van ouderen. Ook de fysieke ruimte kan een rol spelen bij het bevorderen van sociale verbanden.

Hier focussen we op de rol die de ruimtelijke inrichting speelt bij de redzaamheid van ouderen. Onderzoek van TNO naar woonservicezones (nog niet gepubliceerd) toont aan dat wanneer ouderen verhuizen naar een serviceflat dit vooral te maken heeft met hun mobiliteit, terwijl verhuizen naar een intramurale setting samenhangt met de sociale binding in de wijk of met kinderen die in de buurt wonen. De vraag is wat ruimte kan betekenen voor de mobiliteit van ouderen en hun sociale contacten in de buurt.

Uit de achtergrondstudies bij deze verkenning blijkt dat bepaalde kenmerken van de leefomgeving een positief effect hebben op de mobiliteit van ouderen. Beweegvriendelijke omgevingen zijn omgevingen die wandelvriendelijk zijn en waarin de loop- en fietsroutes verkeersveilig zijn. Zo kunnen looproutes van ouderen aantrekkelijker worden gemaakt door de bewegwijzering aan te passen en door enge bosjes, blinde muren, tochtige hoeken en rommelige bestrating an te pakken, waardoor deze routes een veel vriendelijkere en veiligere uitstraling krijgen. Ook de nabijheid tot en een gemakkelijke toegankelijkheid van winkels en voorzieningen maakt een omgeving beweegvriendelijk. De bewandelbaarheid4 van buurten draagt dan bij aan lichamelijke activiteit. TNO en het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) identificeerden 27 ontwerpprincipes voor een beweegvriendelijke omgeving (Cammelbeeck et al., 2014). Een selectie:

  • voorzieningen op loopafstand in de wijk, waarbij verschillende functies door elkaar heen lopen (wonen, werken, winkelen, recreatie);
  • een aaneengesloten netwerk van langzaamverkeerroutes;
  • gemarkeerde fiets- en looproutes, duidelijke straatzonering;
  • autoluwe/autovrije zones;
  • bebouwing gericht naar de openbare ruimte;
  • gevarieerd en voldoende groen, ook in het straatprofiel;
  • zitmeubilair langs wandelroutes, rustplekken;
  • oversteekplaatsen en straatverlichting;
  • trottoirs van minimaal twee meter breed, zonder obstakels.

Cammelbeeck (2013) onderzocht welke obstakels oudere inwoners van Spijkenisse tegenkomen in de publieke ruimte wanneer zij doelen buitenshuis proberen te bereiken. Zij maakte een stedenbouwkundige analyse aan de hand van GPS-tracks, interviews en beweegdagboeken van 437 oudere inwoners. Zelfs met relatief kleine interventies in de publieke ruimte is de mobiliteit van ouderen te bevorderen. Bij het ontwerpen van een leefomgeving die voor ouderen geschikt is, spelen herkenbaarheid, leesbaarheid, comfort, verscheidenheid, toegankelijkheid en veiligheid een rol.

 
Beweegvriendelijke omgevingen bevorderen niet alleen de mobiliteit van ouderen in relatie tot hun redzaamheid, ze bevorderen de gezondheid ook directer: door hun conditie op peil te houden blijven ouderen fysiek langer redzaam. Scherder (2014) houdt een sterk pleidooi voor lichaamsbeweging op alle leeftijden. Zo lang het nog kan, is het verstandig om te blijven bewegen. Zowel voor lichaam als geest geldt het adagium ‘use it or lose it’. Steeds meer wordt duidelijk dat bewegen ook bijdraagt aan een betere werking van de hersenen (Scherder, 2014). Daar komt bij dat bewegen in een verrijkte omgeving (een omgeving waarin iemand veel verschillende zintuiglijke prikkels ervaart) waarschijnlijk nog iets extra’s oplevert, namelijk een dosis ‘onzekerheid’ die een beroep doet op iemands cognitieve flexibiliteit. Het aanspreken van deze cognitieve flexibiliteit vergroot de cognitieve reserve van mensen, die ervoor zorgt dat bijvoorbeeld in de eerste jaren van de ziekte van Alzheimer de bijbehorende symptomen veel beter kunnen worden opgevangen (waardoor het lijkt alsof de ziekte later begint; Scherder, 2014). De combinatie van cognitieve en lichamelijke inspanning zou daarom wel eens het grootste voordeel voor de hersenen kunnen opleveren. Bewegen is dus zowel van belang als voorzorg – voor het uitstellen van ziekte – als voor het dagelijks functioneren van ouderen die in meer of mindere mate kwetsbaar zijn geworden. Voor alle fases van het ouder worden is het belangrijk dat de dagelijkse leefomgeving uitnodigt tot bewegen.

Inclusive design
Als men vanuit het perspectief van ouderen naar de ruimtelijke inrichting kijkt, krijgt de dimensie van ruimte, maar ook van tijd een andere betekenis. Oudere mensen bewegen vaak wat trager dan jongere. In een vergrijzende samenleving zullen tempoverschillen duidelijker optreden. Hier kunnen we leren van ‘inclusive design’. De grondlegger van dit idee, productdesigner Patricia Moore, bezocht als 26-jarige vermomd als 85-jarige (met beugels en bandages om de romp en ledematen, wazige bril etc.) een groot aantal steden in de VS, waarna zij producten ontwierp die geschikt waren voor alle mensen van alle leeftijden, hoe begaafd ze ook zijn (Krznaric, 2014). De gemeente Schiedam is onlangs gestart met een project levensloopvriendelijke wijken, ‘grey but mobile’, waarbij ambtenaren eveneens een wijk verkennen als ‘oudere’, in zware korsetten, zodat zij weten hoe het voelt om stram te lopen. Van daaruit proberen zij te inventariseren waar obstakels zijn.

 
Een nieuwe factor die een rol speelt in de mobiliteit van ouderen is het klimaat. Recentelijk is er meer aandacht voor het effect van klimaatverandering op het klimaat in Nederlandse steden. De komende decennia worden significant meer zomerse dagen en hittegolven verwacht. In combinatie met verstedelijking leidt dit mogelijk tot zogenoemde hitte-eilanden. In het centrum van Rotterdam is het bijvoorbeeld op warme zomerdagen aanmerkelijk warmer dan in de omstreken (TNO, 2010). Dit kan wel 10 graden schelen. Gebiedskenmerken die de ruimtelijke variatie in oppervlaktetemperatuur verklaren zijn gerelateerd aan groen, verharding, bebouwing, gebouwhoogte en materiaaleigenschappen. Ook antropogene warmtebronnen, zoals huishoudens, verkeer en industrie, zorgen voor hitteproductie. Juist voor ouderen maakt hitte nogal wat uit. Tijdens hittegolven sterven er in Nederland meer ouderen dan gemiddeld. Wellicht zouden voldoende schaduwrijke rustplekken en gratis waterpunten het voor ouderen mogelijk maken om zich in warmere perioden meer en veiliger op straat te begeven. Ook voldoende groen en water kunnen als tegenwicht voor stenen, asfalt en beton de opwarming van steden temperen.

Bij het bevorderen van de mobiliteit en daarmee de gezondheid en redzaamheid van ouderen speelt de beleving van de omgeving mee.

Zo blijkt dat bewoners zich duidelijk beter voelen wanneer zij alleen al de buurt als ‘schoon, heel en veilig’ ervaren (Urban40-onderzoek). Ook voelen zij zich in een goed onderhouden woonomgeving meer uitgenodigd om de straat op te gaan en bewegen zij daardoor meer.

Als het uitgangspunt is dat de buurt belangrijk kan zijn voor het steunnetwerk van ouderen, dan moeten buren elkaar wel tegenkomen. Aantrekkelijke, goed onderhouden, als veilig ervaren, wandelvriendelijke buurten met open ruimten zoals parken en goede functiemenging (combinatie van wonen, werken, winkelen en recreëren) bevorderen ontmoetingen en onderling contact tussen buurtbewoners en versterken de ‘collective efficacy’, ofwel de mate waarin buurtbewoners bereid zijn om samen te werken voor een gemeenschappelijk doel (Kamphuis et al., 2015; TNO, 2015).

Het belang van functiemenging voor het ontstaan van ontmoetingen tussen mensen wordt ook aangetoond in onderzoek in vier Rotterdamse wijken (Blokland, 2009). In een buurt met meerdere functies is de kans groter dat buurtbewoners elkaar in het dagelijks gebruik van deze voorzieningen tegenkomen en gaan herkennen. Juist de korte contacten in de openbare ruimte, het elkaar zien, bepalen de cohesie in een buurt, meer dan de netwerken die men in een buurt heeft. “Voor korte contacten doen buurtvoorzieningen ertoe, omdat voorzieningen de gelegenheid scheppen voor die korte contacten. […] Publieke familiariteit, het elkaar herkennen en sociaal kunnen plaatsen zonder elkaar noodzakelijk echt te kennen, draagt bij aan het vermogen van mensen om hun omgeving sociaal te kunnen interpreteren en ordenen, en zich er daardoor veilig te kunnen voelen.” (Blokland, 2009, p. 224). Elkaar kennen in de buurt en iets voor elkaar kunnen betekenen of steun bieden is ook belangrijk voor het tegengaan van gevoelens van eenzaamheid.

Bredewold noemt in haar proefschrift Lof der oppervlakkigheid (2014) het belang van korte, oppervlakkige ontmoetingen tussen buurtgenoten. Deze ontmoetingen kunnen bijdragen aan het gevoel van welbevinden, van erbij horen. Oppervlakkige ontmoetingen kunnen worden aangemoedigd door aanpassingen te doen in de publieke ruimte.

Er is nog weinig onderzoek gedaan naar ruimte in relatie tot sociale steun (Kamphuis et al., 2015), terwijl juist met het oog op ontwikkelingen in de zorg de verwachting is dat de publieke ruimte kan bijdragen aan een positief klimaat voor sociale steun.

Kanttekening
De relatie tussen de fysieke omgeving en redzaamheid is complex. Of ouderen daadwerkelijk meer gaan bewegen of meer anderen ontmoeten door aanpassingen in de omgeving hangt af van veel factoren. Het gaat dan om factoren die te maken hebben met de fysieke omgeving (zoals fysiek en mentaal gemak, de ‘leesbaarheid’ van een omgeving, de sfeer – kleur, geur en licht), de sociale omgeving (zoals rolmodellen en peers) en persoonlijke factoren (zoals omgaan met onzekerheid en het minimaliseren van verlies) (KIM, 2011). Kamphuis et al. (2015) merken op dat het onderzoek op dit gebied nog een stap verder gebracht kan worden door beter na te denken over de conceptuele match tussen omgeving en gedrag. Het helpt bijvoorbeeld niet als bij het meten van het effect van de buurtomgeving op beweeggedrag een totaal-uitkomstmaat van bewegen wordt gebruikt, bijvoorbeeld de totale wandel- of beweegtijd per week waarbij mensen ook in andere omgevingen zijn geweest, zoals binnenshuis of buiten de buurt.

Het gaat om de relatie tussen enerzijds de beperkingen, de kwetsbaarheden, waar meer ouderen last van gaan krijgen, en anderzijds de mogelijkheden om daar via de leefomgeving aan tegemoet te komen. Uitgaande van de definitie van kwetsbaarheid van het SCP (2011), waarbij het gaat om lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten, bestudeerden we in deze en de vorige paragraaf tot dusverre vooral de eerste en de laatste dimensie en bleef de psychische dimensie nog grotendeels buiten beschouwing. We schreven dat de leefomgeving een grote rol speelt bij het uitstellen van tekenen van dementie. Maar wat kan de fysieke leefomgeving betekenen wanneer er wel sprake is van (lichte) dementie? Ouderen met lichte dementie zijn vaak nog goed in staat om een wandeling te maken. Moderne techniek (GPS) maakt het mogelijk dat zij er ook alleen op uittrekken; mochten zij verdwalen, dan kunnen thuisblijvers hen traceren (CEG, 2010). Desondanks kunnen we ons voorstellen dat een vertrouwde en veilige omgeving, met markante herkenningspunten en bewegwijzering, kan helpen de weg nog te vinden en sociale ontmoeting mogelijk te maken in de publieke ruimte. Ook bij verder gevorderde dementie vinden ouderen het fijn om in de publieke ruimte te kunnen verkeren. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in verpleeghuis Hogewey in Weesp, waar dementerende ouderen wonen en leven in een besloten ‘publieke’ ruimte, met een plein, een winkel, een restaurant en een theater. De organisatie heeft het over een verpleegwijk of kleinschalig wonen in leefstijl. Hogewey staat hierin niet alleen, ook elders vinden we steeds vaker vergelijkbare vormen van besloten publieke ruimten.

In het proces van veroudering zien we dat er grote verschillen kunnen bestaan tussen ouderen. Vraagstukken over vergrijzing en zorg zouden vooral kunnen ontstaan in wijken waar de problematiek zich opstapelt en waar sociaaleconomische of culturele verschillen een rol spelen. Ook daar verwachten we dat de beleving van de ruimte verschil kan maken.

We hebben hier een aantal aspecten van de leefomgeving als bron van redzaamheid voor ouderen verkend. Er lijkt potentie te zijn, er zijn goede voorbeelden, maar er zijn ook onzekere factoren. Bovendien hebben we te maken met het gegeven dat wat in stenen, asfalt en beton is gegoten niet zomaar is te veranderen. De gebouwde omgeving en infrastructuur liggen meestal voor jaren vast en wijzigingen vergen een lange termijnvisie. Toch hebben we ook gezien dat kleine aanpassingen veel kunnen doen.

De samenleving verandert, maar verandert de ruimte mee? Redzaam ouder worden stelt andere eisen aan de publieke ruimte.Voldoende mobiel kunnen zijn en sociale contacten kunnen onderhouden zijn van groot belang voor het zelfstandig kunnen blijven wonen van ouderen. De inrichting van de publieke ruimte is daarmee een van de bepalende factoren in de redzaamheid van ouderen.

Een toegankelijke publieke ruimte is een veilige ruimte die sanitair, rustpunten en voldoende prikkels biedt, de weg wijst aan wie die vergeten is, en mensen helpt elkaar te ontmoeten. Op die manier wordt de publieke ruimte een toevoeging aan het assortiment van algemene voorzieningen waarmee de gemeente de participatie van haar inwoners bevordert.

‘Anders kijken’ naar de publieke ruimte kan redzaamheidswinst voor ouderen opleveren. Anders kijken betekent bijvoorbeeld zich inleven: weten hoe bewoners van verschillende leeftijden hun wijk beleven. Dat kan bijdragen aan ‘inclusive design’. En het betekent bijvoorbeeld nadenken over de bewandelbaarheid van buurten en over verrijkte omgevingen waar combinaties van lichamelijke én cognitieve inspanningen worden bevorderd voor een betere werking van onze hersenen. Of mogelijkheden voor korte ontmoetingen, die kunnen worden bevorderd door functiemenging. Of over extra groen in straten en schaduwplekken om de toenemende hitte in de bebouwde omgeving, als gevolg van klimaatverandering, te reguleren. Ook de beleving is van groot belang: de omgeving moet aangenaam zijn.

Maar hoe flexibel is de gebouwde omgeving eigenlijk? Is het wel mogelijk de redzaamheidswinst te verzilveren? Hoe is de fysieke ruimte te veranderen zodat ouderen zich de ruimte (meer) kunnen toe-eigenen? De ruimtelijke inrichting lijkt voor een groot deel vast te liggen. Welke aanpassingen zijn mogelijk? Meer daarover bij Vervagende grenzen en nieuwe tussenruimten.