Ruimte voor redzaamheid




Met deze verkenning onderzoekt de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg de relatie tussen de redzaamheid van ouderen en de inrichting van de publieke ruimte.

De publieke ruimte omvat de fysieke leefomgeving en infrastructuur waar mensen in terechtkomen als ze hun voordeur of tuinhek achter zich dichttrekken. Het is de ruimte buitenshuis die overbrugd wordt om op een andere bestemming te komen, en waar mensen elkaar kunnen tegenkomen en ontmoeten. Die ruimte is veelal in de buitenlucht, op straat of in een park, maar ook binnen gebouwen, bijvoorbeeld in de hal van de bibliotheek, op het station of in de supermarkt. Deze ruimte heeft een verkeersfunctie en een verblijfs- of recreatiefunctie. De grond kan van de gemeente zijn of van een private partij. Onderscheidend is dat de ruimte in principe toegankelijk is voor iedereen, dus ook voor ouderen. Deze verkenning gaat over de vraag of de publieke ruimte de redzaamheid van ouderen kan versterken.

Er zijn een paar aanleidingen voor deze verkenning

  • Vergrijzing
  • Een andere kijk op gezondheid
  • Gemeente aan zet

In 2040 zal het aandeel ouderen in de bevolking aanzienlijk zijn gestegen ten opzichte van nu, namelijk van 17% nu naar ruim een kwart van de bevolking straks. Het aantal ouderen van 75 jaar of ouder zal dan meer dan verdubbeld zijn; de helft van de bevolking is dan ouder dan 52 jaar (nu 49 jaar). Deze grote groep ouderen zal daarmee vermoedelijk zichtbaarder zijn in de publieke ruimte. Welke eisen stellen zij aan de publieke ruimte?

Onze opvattingen over gezondheid veranderen. Het is meer dan alleen de afwezigheid van ziekte. Bij ‘gezond ouder worden’ gaat het om behoud van levenskwaliteit. Ouderen voelen zich op steeds hogere leeftijd vaak goed ondanks ziekte en beperkingen (Westendorp, 2014). Zij blijven ook steeds langer zelfstandig wonen en daardoor ook zo veel mogelijk gebruikmaken van de publieke ruimte.

Gemeenten hebben met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de verantwoordelijkheid gekregen om mensen te ondersteunen die het zelf of met hun eigen sociale netwerk alleen niet redden.

Het zijn veelal mensen van 65 jaar of ouder die tot nu toe gebruikmaken van de individuele voorzieningen voor ondersteuning (Non en Vermeulen, 2014). Voordat mensen een beroep kunnen doen op individuele ondersteuning wordt gekeken of de algemene en groepsvoorzieningen voldoende soelaas kunnen bieden. De Raad ziet de publieke ruimte als onderdeel van deze algemene voorzieningen. 

De kernvraag van deze verkenning is of en hoe de inrichting van de publieke ruimte kan bijdragen aan de redzaamheid van ouderen.

Over redzaamheid spreken we vanuit het idee dat gezondheid veel meer is dan de afwezigheid van ziekte, maar – juist met het oog op een vergrijzende samenleving – steeds meer moet worden begrepen als “the ability to adapt and to self manage, in the face of social, physical and emotional challenges” (Huber et al., 2011). Het gaat om het aanpassingsvermogen van mensen bij veranderingen in hun eigen toestand (denk aan lichamelijke of mentale beperkingen) en/of in hun omgeving (denk aan stressoren). Een voorbeeld van redzaamheid is wanneer een oudere een rollator gaat gebruiken als hij of zij merkt dat het lopen onzekerder is geworden. Een ander voorbeeld van redzaamheid is wanneer een oudere gaat verhuizen naar een woonzorgcombinatie om zelfstandig te kunnen blijven wonen.

De laatste jaren is de redzaamheid van ouderen prominent op de beleidsagenda gekomen, wat heeft geleid tot aanpassingen in de wetgeving rondom de langdurige zorg en de Wmo. In het advies Redzaam ouder (RVZ, 2012) concludeerde de Raad dat ouderen hun redzaamheid eerder verliezen dan noodzakelijk. Niets doen zet de financiële houdbaarheid van het stelsel voor langdurige zorg sterk onder druk als gevolg van een onevenredige verdeling van de lasten over geboortecohorten (RVZ, 2013). Het Centraal Planbureau (CPB) heeft uitgerekend dat de recente stelselwijzigingen in de zorg en de verhoging van de AOW-leeftijd de overheidsfinanciën op termijn (2060) houdbaar maken (CPB, 2014). Echter, dat betekent dat we de transformatie die wordt beoogd met de Wmo wel moeten gaan doen en dat we ouderen en hun sociale omgeving ook in staat moeten stellen hun nieuwe rol op te pakken. Meer ruimte dus voor mensen in overdrachtelijke zin; deze verkenning gaat over wat dat betekent voor de publieke ruimte, dat wat wij vaak letterlijk onder ruimte verstaan.

Onder de publieke ruimte verstaan we de onderdelen van de gebouwde en natuurlijke omgeving die in principe vrij toegangelijk zijn voor het publiek (Carmona et al., 2008). Deze ruimte omvat het stedenbouwkundig ontwerp en de materiële inrichting ervan.

De psychologische ruimte is de mate waarin burgers en in het bijzonder ouderen gebruik kunnen maken van de fysieke ruimte en deze mede vormgeven.

Nadenken over ruimte in relatie tot gezondheid is niet nieuw. Tot begin vorige eeuw stond daarbij vooral het belang van de volksgezondheid centraal zoals het voorkomen van besmettelijke ziekten. De nieuwe uitdaging lijkt te zijn om in de publieke ruimte rekening te houden met komende vergrijzing.

Gezondheid en stedelijke planning waren in de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zeer nauw met elkaar verbonden. Ruimtelijke ordening en woningbouw stonden in het teken van het bestrijden van infectieziekten (zoals tuberculose) en armoede. Voor ouderen ging het vooral om huisvesting van de kwetsbaren, diegenen die op niemand konden terugvallen en die niet over de fysieke gezondheid of de middelen beschikten om voor zichzelf te zorgen. Dit gebeurde vanuit de kerk, het stadsbestuur, de eigen zuil of de beroepsgroep. Ouderen die ondersteuning nodig hadden, werden gehuisvest in armenhuizen, hofjeswoningen, pensions voor ouden van dagen en zelfstandige bejaardenwoningen.

Na de Tweede Wereldoorlog werden er, mede door de grote woningnood, op grote schaal verzorgingshuizen gebouwd waar ouderen terechtkonden zodra zij de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt. Begin jaren zestig werd er bijna maandelijks een verzorgingshuis geopend. Tegelijkertijd werden de eerste tekenen zichtbaar dat ouderen liever op zichzelf wilden blijven wonen. In het afgelopen decennium is meer met toekomstvisie gebouwd, gericht op het langer, redzamer en flexibeler in de eigen woning kunnen blijven. Ook technische ontwikkelingen, zoals domotica, maken dit mogelijk.

Van aanpassingen in de publieke ruimte, specifiek voor ouderen, is tot voor kort eigenlijk nauwelijks sprake geweest. Wel is in veel gemeenten een ontwikkeling gaande waar op ouderen gerichte voorzieningen dicht bij elkaar in de buurt worden gebouwd. Pas de laatste jaren is er wat meer aandacht voor wat de leefomgeving kan betekenen voor ouderen. In december 2012 vond in Groningen een conferentie plaats genaamd ‘Healthy cities: onze leefomgeving als medicijn’, met als doel het vergroten van de aandacht voor de relatie tussen gezondheid en omgeving. Op de conferentie is een convenant ondertekend: USP Healthy ageing (USP staat voor Urban Strategic Planning), waarin verschillende partijen hun krachten bundelen bij onderzoek, beleidsontwikkeling en experimenten gericht op het verbeteren van de leefomgeving van ouderen.

Ook het rijk zet het thema gezondheid en leefomgeving op de agenda. Het kabinet heeft aangekondigd in 2015 een Agenda Stad te presenteren met maatregelen om groei, leefbaarheid en innovatie in Nederlandse steden te versterken. Daarbij is er vooral aandacht voor de stad als motor van economische ontwikkeling en innovatie. Kansen van de stad in dit opzicht veranderen voortdurend onder invloed van technologische, economische, demografische en sociaal-culturele ontwikkelingen en door fysieke veranderingen van de stad zelf. De kracht van de stad zal vooral gezocht worden in nieuwe relaties van openbaar bestuur met burgers en bedrijven (Cramers, 2014).

Daarnaast komt er in de onderzoekswereld steeds meer aandacht voor het thema gezondheid en publieke ruimte. Het gaat om een relatief jong onderzoeksterrein dat een exponentiële toename in het aantal studies laat zien (Kamphuis et al., 2015). Ondanks de toename in studies bestaat er onduidelijkheid over de rol van de leefomgeving voor de redzaamheid van ouderen. Wat is bijvoorbeeld de relatie tussen ruimte en bewegen of sociaal contact maken? Resultaten vertonen veel inconsistenties. De oorzaken daarvan liggen in zwakke onderzoeksdesigns, heterogeniteit van de methoden waarmee is gewerkt, en heterogeniteit van de omgevingen waarin het onderzoek is uitgevoerd (dat wil zeggen in zeer verschillende landen). Veel studies hanteren een cross-sectioneel design, waardoor het moeilijk is om oorzaak en gevolg uit elkaar te halen. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat mensen verhuizen naar een leefomgeving die aansluit bij hun leefstijl en gezondheid. Zo zouden ouderen die merken dat hun gezondheid achteruitgaat ervoor kunnen kiezen dichter bij voorzieningen te gaan wonen om zo langer zelfstandig te kunnen wonen. We weten dan niet of de leefomgeving van invloed is op de redzaamheid of dat er eerder sprake van is dat de gezondheid en redzaamheid van invloed zijn op de leefomgeving.

Kortom, het thema staat zowel in beleid als in onderzoek nog in de kinderschoenen. Om handvatten te bieden voor het maatschappelijk debat over ruimte en redzaamheid, verkent de Raad dit thema in dit rapport.

Op de afdeling Interieurarchitectuur en Meubelontwerpen werd het thema ‘Ruimte voor Redzaamheid’ als uitgangspunt genomen bij de vakken ‘Privaat interieur’ (docent: Gijs Baks), ‘Publiek object’ (docent: Wim Ros) en het Researchlab ‘The Dept. of What If?’ (docenten: Arne Hendriks en Ronald van Tienhoven). Dit leverde diverse resultaten op.

TNO en de afdeling Maatschappelijke gezondheidszorg van het Erasmus MC hebben achtergrondstudies geschreven. Zij zijn op zoek gegaan naar goede voorbeelden in binnen- en buitenland en naar wetenschappelijke bewijzen voor de relatie tussen ruimte en gezond gedrag, redzaamheid en sociale verbinding en ontmoeting. Daarnaast heeft de projectgroep uitgebreid literatuuronderzoek verricht.

De projectgroep organiseerde stadswandelingen om een indruk te krijgen van de publieke ruimte waar mensen wonen. Wat het meest opvalt is de verscheidenheid. Vragen die aan de orde kwamen, waren: Wat hebben ouderen nodig in de fysieke omgeving voor een mooie oude dag met kwaliteit van leven? Wie organiseren die fysieke omgeving? Wat doet de gemeente en wat doen burgers of organisaties van burgers?

Bij het nadenken over het onderwerp ruimte kunnen concrete ruimtelijke voorstellingen behulpzaam zijn. Er is daarom samenwerking gezocht met de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Een groep studenten houdt zich tijdens het studiejaar 2014-2015 bezig met een toekomstige publieke ruimte die dienstbaar is aan de redzaamheid van een sterk vergrijsde bevolking.

De Raad heeft gesprekken gevoerd met deskundigen van onder andere gemeenten en architectenbureaus en samengewerkt met de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) en het College van Rijksadviseurs (CRa). In het kader van de samenwerking is een expertmeeting georganiseerd om de ideeën uit de wereld van de ruimtelijke inrichting te verbinden met de ontwikkelingen in de zorg.

Er wordt een tussenruimte, misschien tevens looproute, gecreëerd met hangende stroken stof, stevig, zacht en aangenaam om vast te houden. Je bent in de publieke ruimte maar tegelijk ook genoeg privé om bijvoorbeeld een gesprek te voeren. Ook bieden de stroken houvast om veilig van a naar b te lopen (groepsproject KABK).

Om allerlei redenen, zoals afnemende gezondheid en redzaamheid, kan het nodig zijn om de woonomgeving aan te passen. Een flexibele indeling kan een prettig alternatief zijn voor een verhuizing. Door flexibele inrichtingselementen te voorzien van een ingebouwde leuning kan de bewoner veilig wennen als de inrichting is veranderd (ontwerp Sophia Zoon, KABK).

In dit huis voor een ouder echtpaar overbruggen hellingbanen de hoogteverschillen. De gevel is een glazen stolp met visie naar buiten maar niet naar binnen toe. De functies slapen en sanitair zijn ondergebracht in een kubus met extra privacy. Hier twee niveaus; het bovenste, met eigen toegang, kan een gastenverblijf zijn (ontwerp Sven van Dieken, KABK) .

We wilden in de school, een domein van jonge mensen, een heterotoop maken, een ruimte met andere dimensies dan we dagelijks ervaren, waarin we inzicht krijgen in de belevingswereld van oudere mensen met evenwichtsproblemen. De tunnel nodigt uit om in te stappen en een moment van verwarring te ervaren (groepsproject KABK).